Het verhaal


In het hetzelfde jaar waarin de eerste fundamenten voor het spel cricket werden gelegd, 1183 na Christus, bracht Cornelia Geertruida van Haske een wolk van een baby ter wereld. Als jongen was Dodo een voorbeeldig kind, sociaal voelend en goed voor zijn ouders. Al gauw werd duidelijk dat het hier niet ging om een doorsnee kind. Al in zijn zevende levensjaar lukte het Dodo om zijn eigen familieleden te genezen van de heersende vlektyfus. Het nieuws omtrent een mogelijke nieuwe messias verspreidde zich snel, wat uitmondde in een massale toestroom van bezoekers aan het huis van de familie van Haske. Vooral de zieken zochten hun heil bij Dodo, zodat huize van Haske transformeerde tot een smeltkroes van ziek, zwak en misselijken. Het eindeloze gekreun van de zieken, die dag en nacht rond haar huis omhingen, maakten het niet mogelijk om Dodo nog langer in huis te houden. Omdat adoptie in die tijd leidde tot de brandstapel, besloot Cornelia Geertruida haar zoon bij een klooster te plaatsen.

In het klooster van Bartlehiem, dat onder leiding stond van Abt Siard, kon Dodo als jongeman zijn krachten verder ontwikkelen. Onder deze Abt Siard kreeg Dodo een strenge, vrome opvoeding. Het was ook in dit klooster dat hij zijn toekomstige vrouw ontmoette, de wulpse Anna. In de zwaar conservatieve gemeenschap van het klooster was het uit den boze om in contact te komen met iemand van het andere geslacht, laat staan een relatie te beginnen. Om deze reden werden de tortelduifjes vriendelijk doch dringend verzocht het klooster als de sodemieter te verlaten. Noodgedwongen vestigde het stelletje zich net buiten de alom geprezen gezelligheidsmetropool Bakkeveen, alwaar ze een huisje bouwden om in te leven. De liefde was echter geen lang leven beschoren. Anna’s wulpsheid was niet bestand tegen de plotsklaps ingeslagen vrijheid en tot verdriet van Dodo resulteerde dit meermaals in langdurige nachtelijke escapades van zijn wederhelft. Hierdoor werd de scheidingsprocedure al snel in gang gezet. Het was Dodo die het eigendom van huis toegewezen kreeg en zijn leven voortzette als kluizenaar.

Als eenzame kluizenaar besluit Dodo vervolgens zijn status als goedheiligman waar te maken. ’s Nachts staat Dodo vele malen op om te bidden en ook overdag knielt hij talloze malen neer in gebed. Om zijn knieën enigszins te ontzien en de eenzaamheid van het kluizenaarsbestaan te onderdrukken, ontvangt Dodo geregeld bezoekers. Ook in Bakkeveen waren Dodo’s wonderbaarlijke genezingskrachten namelijk niet onopgemerkt gebleven. Zo genas hij een klein meisje van epilepsie en een losgeslagen psychopaat van zijn geestesziekte, wat Dodo nog een witte koe als dank opleverde. Tevens zette Dodo zich in voor afschaffing van de weerwraak, wat inhield dat de familie van een vermoord persoon wraak mocht nemen door een willekeurig persoon uit de familie van de moordenaar te doden en op te hangen in de schuur. Door zijn goede daden maakte Dodo zich populair bij de Bakkeveense dorpelingen.

Om deze reden lag in het jaar 1231 een groots feest in de planning ter ere van Dodo. Op de dag dat de dorpelingen Dodo wilde verrassen kwam er op ongelukkige wijze een einde aan het leven van de goedheiligman. Doordat Dodo zijn capaciteiten als bouwvakker enigszins overschat had kwam zijn huis tot instorting op het moment dat hij lag te bidden in de woonkamer. Diezelfde avond trof de Bakkeveense bevolking, reeds voorzien van feestmutsen, een ingestort huis met een verpletterde Dodo aan. Nadat ze alle brokstukken van zijn levenloze lichaam hadden verwijderd, troffen ze op zijn lichaam verwondingen aan die niet veroorzaakt zouden kunnen zijn door de instorting. Ze vertoonden kenmerken van de kruiswonden (stigmata) die Jezus overhield aan zijn kruisiging. Deze stigmata bewezen des te meer dat Bakkeveen gedurende een aantal jaren een heel speciaal persoon huisvestte.